De student
• beschrijft het verschil tussen observatie en interpretatie
• beschrijft het eigen referentiekader • herkent het effect van (non-)verbaal gedrag van de cliënt/medestudent op het moment van de eerste indruk van de ander en vice versa
• is zich bewust van de invloed van de eerste indruk, ook in relatie tot het eigen referentiekader.
0.1 Algemene communicatie